Het komt voor dat cliënten met een Wlz-indicatie dakloos (dreigen te) worden. Bijvoorbeeld na eenzijdige zorgbeëindiging, bij de overgang naar de Wlz vanuit een andere zorgwet of bij uitstroom uit detentie. Dit vraagt tijdig samenwerken en duidelijke afspraken maken over rollen en verantwoordelijkheden.
Het toeleidingsproces bestaat meestal uit deze stappen.
- Herkenning van (dreigende) dakloosheid en de betrokken partijen informeren.
- Betrokken partijen (zorgkantoor, dossierhouder en overige Wlz-zorgaanbieders) starten samenwerking om een passende, duurzame oplossing te realiseren.
- Zo nodig overbruggingszorg organiseren totdat een duurzame oplossing beschikbaar is.
Bij daadwerkelijke dakloosheid kan maatschappelijke opvang tijdelijk een vangnet bieden, maar dit is geen duurzame Wlz-zorgplek.
Dakloosheid na zorgbeëindiging, uitstroom uit detentie of een nieuwe Wlz-indicatie vraagt in de praktijk soms net iets anders. De betrokken partijen kunnen verschillen, of de stappen zijn anders per route.
Per situatie is het werkproces stap voor stap uitgewerkt. Per route lees je welke partijen betrokken zijn en welke acties en verantwoordelijkheden daarbij horen.
Deze werkprocessen bieden houvast. Niet iedere situatie vraagt om dezelfde stappen of volgorde. Blijf daarom kijken naar wat voor de cliënt nodig is en welke maatwerkoplossing mogelijk is.
Werkproces 1: bij zorgbeëindiging
Een Wlz-zorgaanbieder kan in uitzonderlijke situaties de zorg willen beëindigen. Als nog geen passende vervolgplek of overbruggingszorg beschikbaar is, bestaat het risico dat de cliënt op straat komt te staan. Om dit te voorkomen is het belangrijk dat de Wlz-zorgaanbieder en het zorgkantoor nauw met elkaar samenwerken.
Een zorgaanbieder mag de zorg alleen in uitzonderlijke situaties en om zwaarwegende redenen beëindigen. Omstandigheden zoals ernstige bedreiging, langdurig verstoorde relatie of grote veiligheidsrisico’s kunnen daarbij een rol spelen. Zorgbeëindiging is pas mogelijk als voortzetting van de zorg redelijkerwijs niet meer van de aanbieder kan worden gevraagd en de aanbieder het vereiste zorgbeëindigingsproces is doorlopen. Dit proces is opgenomen in het Voorschrift zorgtoewijzing.
Voordat de zorg stopt, moet de Wlz-zorgaanbieder eerst alle redelijke mogelijkheden onderzoeken om de zorg voort te zetten. De aanbieder:
- bespreekt de situatie en mogelijke gevolgen met de cliënt;
- waarschuwt de cliënt schriftelijk en legt gemaakte afspraken vast;
- zet waar nodig aanvullende deskundigheid of andere disciplines in;
- onderzoekt of het gedrag samenhangt met de aandoening of beperking van de cliënt;
- weegt de belangen van de cliënt, medewerkers en medecliënten zorgvuldig af;
- spant zich in om passende vervolgzorg of overbruggingszorg te organiseren.
Bij de melding aan het zorgkantoor beschrijft de aanbieder welke stappen zijn gezet. Ook geeft de aanbieder aan hoe de zorg kan worden voortgezet.
Het zorgkantoor toetst niet de inhoudelijke reden voor zorgbeëindiging. Het beoordeelt of de Wlz-zorgaanbieder de vereiste processtappen zorgvuldig heeft doorlopen en zich maximaal heeft ingespannen om passende zorg te organiseren. Daarbij kijkt het zorgkantoor ook naar de kwaliteit van het doorlopen proces en de continuïteit van zorg.
Het zorgkantoor kan:
- meedenken over aanvullende mogelijkheden om continuïteit van zorg te realiseren;
- bemiddelen tussen de cliënt en zorgaanbieders;
- adviseren over mediation bij een verstoorde relatie;
- ondersteunen bij het vinden van passende vervolg- of overbruggingszorg;
- afspraken maken over de regie en het vervolgproces.
Heeft een cliënt geen passende woon- of verblijfplaats? Dan blijven de Wlz-zorgaanbieder en het zorgkantoor samen verantwoordelijk voor een zorgvuldig vervolg.
De Wlz-zorgaanbieder blijft zich inspannen om passende zorg te organiseren totdat de zorg zorgvuldig is overgedragen. Het zorgkantoor ondersteunt vanuit haar zorgplicht bij de bemiddeling naar passende Wlz-zorg en overbruggingszorg.
Wanneer geen reguliere plaatsing mogelijk lijkt, kunnen partijen samen andere mogelijkheden onderzoeken:
- Beargumenteerd afwijken van criteria: onderzoek of een Wlz-zorgaanbieder in deze specifieke situatie kan afwijken van bestaande in- of exclusiecriteria.
- Gefaseerde route ontwikkelen: bijvoorbeeld eerst plaatsing bij aanbieder A voor een detoxperiode, stabilisatie of diagnostiek, en daarna doorstroom naar aanbieder B voor permanent verblijf.
- Overbruggingszorg inzetten: organiseer tijdelijke zorg en ondersteuning totdat een structurele plek beschikbaar is.
- Maak afspraken over het vervolgproces en hoe partijen handelen als de situatie opnieuw dreigt vast te lopen. Leg deze afspraken vast in het zorgplan.
Werkproces 2: Bij nieuwe Wlz-indicatie
Dit werkproces geldt voor cliënten die voor het eerst een Wlz-indicatie krijgen, maar nog geen passende woon- en zorgplek hebben. Bijvoorbeeld bij uitstroom uit de Wmo of na een klinische ggz-behandeling.
Stappen
- Meld de cliënt tijdig aan bij het zorgkantoor
- Deel de relevante informatie over de zorg- en woonbehoefte
- Bespreek de voorkeur voor een Wlz-zorgaanbieder.
- Het zorgkantoor wijst een dossierhouder aan.
Hierna organiseren zorgkantoor en dossierhouder samen de toeleiding naar een passende woon- en zorgplek.
Ook bij tijdige voorbereiding kan het langer duren voordat een passende plek beschikbaar is. Bijvoorbeeld door een tekort aan passende plekken of door complexiteit van de zorgvraag.
Maak daarom ook afspraken over wat nodig is in de periode waarin nog geen passende plek beschikbaar is. Spreek af wie de regie voert, wie contact houdt met de cliënt en welke tijdelijke zorg of overbruggingszorg nodig is. Voorkom dat de cliënt tussen wal en schip raakt..
Werkproces bij dreigende dakloosheid na detentie
Dit werkproces beschrijft de situatie waarin een cliënt met een Wlz-indicatie uitstroomt uit detentie en nog geen passende woon- en zorgplek heeft. Zonder tijdige voorbereiding bestaat het risico dat de cliënt na ontslag dakloos raakt of zonder passende ondersteuning terugkeert in de samenleving.
Stem al voor de ontslagdatum af tussen de PI, de Wlz-zorgaanbieder, het zorgkantoor en andere betrokken partijen. Zorg dat passende zorg of overbruggingszorg direct na ontslag beschikbaar is.
Er is een dossierhouder
Als er al een dossierhouder is, onderzoekt deze aanbieder terugkeer naar de eigen organisatie of plaatsing bij een andere passende Wlz-zorgaanbieder. De dossierhouder actualiseert waar nodig de wachtstatus en classificatie volgens het Voorschrift zorgtoewijzing.
Er is nog geen dossierhouder
Dan wijst het zorgkantoor een dossierhouder aan. De voorkeur van de cliënt is daarin leidend.
Als directe plaatsing niet lukt, zoeken de dossierhouder en het zorgkantoor samen naar een oplossing. Zo nodig organiseren zij een casusoverleg.
Bij een complexe zorgvraag en verhoogd veiligheidsrisico kan soms de levensloopaanpak worden ingezet. De levensloopcoördinator stemt af tussen de betrokken organisaties en bewaakt de continuïteit van zorg en ondersteuning